Stap 3. Structureer en analyseer

PDM FaseAnalyse & Structurering PDM ValidatieCanvas-freeze

Details

Transformeer de initiële bouwstenen op het PDM Canvas naar een definitief netwerk. Pas de PDM-specificatie toe voor attributen en relaties.

Waarom dit het hart van PDM is

In Stap 3 vindt de werkelijke PDM-transformatie plaats. Je ontrafelt ‘dikke documenten’ en informeel materiaal. Door de formeel gedefinieerde PDM-bouwsteenattributen en de relationele architectuur toe te passen, ontstaat op het PDM Canvas de definitieve SSoT.

Wat ga je doen?

In deze fase werk je het initiële PDM Canvas uit naar het definitieve PDM Canvas:

  1. Promotie van Canvas-kaarten: Promoveer goedgekeurde kaarten naar de harde PDM-bouwsteentypen (werkdomein, proces, processtap, informatieobject, fysiek_object, rol, hulpmiddel, regel, kpi).
  2. Bouwsteenattributen toekennen: Koppel de verplichte systeem- en dashboardparameters toe conform de PDM-specificatie.
  3. Relaties leggen: Koppel bouwstenen aan elkaar langs de gecentreerde Processtap-as (IGOE-model).

Stappenplan voor de analyse en structurering

1. Ken de PDM-bouwsteenattributen toe

Iedere bouwsteen op het definitieve PDM Canvas wordt uitgewerkt met de formele attributen:

  • Systeemparameters: id (bijv. WD-01, P-01, PS-102), title, type.
  • Dashboard-aansturing: pdm_bouwsteen, pdm_status, synoniemen, norm (bij KPI’s).
2. Leg formele relaties volgens de pijlrichtingen

Verbind de bouwstenen strikt conform de formele relationele tabel uit de specificatie:

  • Input ( PS): informatieobject of fysiek_object die getransformeerd worden.
  • Guides ( PS): regel die de actie normeert vooraf.
  • Enablers ( PS): rol (Responsible) en hulpmiddel (systeem) die de stap uitvoeren of ondersteunen.
  • Output (PS ): Het resultaat als informatieobject of fysiek_object.
  • Metingen ( PS / P): kpi die de prestatie achteraf registreert.
3. Toets aan de PDM-regels

Controleer het netwerk op het Canvas aan de hand van de PDM-regels (Basisregels B0-B6 en Modelleerregels M1-M17). Er mogen geen ‘zwevende’ objecten of logische weeffouten aanwezig zijn. Na goedkeuring vindt de Canvas-freeze plaats.

Basisregels

Regel B0 (Occam's Razor)

De kunst van het weglaten is dwingend: modelleer uitsluitend de absolute kern die noodzakelijk is om de operatie te begrijpen, te besturen en te borgen. Elk object, elke stap en elke uitzondering die geen aantoonbare impact heeft op de keten of compliance, wordt rigoureus weggelaten om administratieve wildgroei te voorkomen. Eenvoud overstijgt volledigheid.

Regel B1 (Rollen boven personen)

Er worden uitsluitend abstracte, generieke operationele entiteiten (Rollen) vastgelegd, nooit de namen van specifieke medewerkers. Dit houdt het model onafhankelijk van personele wisselingen.

Regel B2 (Permanente unieke identificatie - UID)

Elk object binnen de vaste Bouwstenen krijgt een permanent en onveranderlijk uniek ID-nummer (bijv. WD-01, PS-102). Alleen de ID is leidend; namen kunnen veranderen. Dit garandeert historische en logische traceerbaarheid ten behoeve van de ketenimpact-analyses.

Regel B3 (De Single Source of Truth - SSoT)

Elk stukje informatie bestaat binnen het model op exact één centrale plek. Wijzigingen vinden uitsluitend plaats bij de bron; de doorwerking naar alle afgeleide weergaven is consistent en sluitend.

Regel B4 (Geen handmatige documentcorrecties)

Zodra een weergave handmatig wordt aangepast buiten de centrale structuur om (bijv. in een losse PDF), verliest deze direct haar formele status. Correcties vinden altijd plaats in de bronbestanden van het model.

Regel B5 (Relaties boven hiërarchie)

De volgorde van werkzaamheden ontstaat uitsluitend uit logische afhankelijkheden tussen objecten (zoals informatie-afhankelijkheid), nooit door een arbitraire nummering of visuele positionering in een tekening.

Regel B6 (De PDM Continuïteitsregel - Periodieke Schouw)

De proceseigenaar en de operationeel experts (sleutel-experts van de werkvloer) voeren periodiek een fysieke of operationele schouw uit op de processen. Tijdens deze schouw wordt getoetst of het digitale werknetwerk nog 100% synchroon loopt met de feitelijke praktijk. Geconstateerde afwijkingen tussen theorie en praktijk dwingen direct een nieuwe RFC-cyclus af om de Single Source of Truth actueel te houden.

Modelleerregels

Regel M1 (Geen zwevende objecten)

Elk object in het model is via minimaal één actieve relatie verbonden met het netwerk. Losgekoppelde objecten zijn niet toegestaan.

Regel M2 (Processtap-isolatie)

Een processtap mag nooit direct aan een andere processtap gekoppeld worden. De verbinding verloopt altijd via een informatiestroom of materiële stroom (Stap A produceert Object X → Object X wordt gebruikt door Stap B).

Regel M3 (Kardinaliteitscontrole)

Elke processtap bezit exact één inkomende relatie vanaf een Rol, welke fungeert als de verantwoordelijke actor (Responsible in de RACI-projectie). Een processtap zonder rol is een syntaxfout.

Regel M4 (Hulpmiddel-isolatie)

Een Hulpmiddel koppelen we nooit rechtstreeks aan een informatieobject of fysiek object, maar altijd aan een specifieke processtap (Hulpmiddel --> processtap) ten behoeve van de ketenimpact en system ketenimpact.

Regel M5 (Gateway-integratie)

Vertakkingen worden niet gemodelleerd met externe ruiten, maar verlopen via een processtap met twee of meer uitgaande relaties naar verschillende informatie- of fysieke objecten.

Regel M6 (Proces-omkadering)

Elk proces is gekoppeld aan exact één overkoepelend Werkdomein.

Regel M7 (Proces-hiërarchie)

Een subproces mag naar maximaal één bovenliggend proces verwijzen. Circulaire hiërarchische verwijzingen zijn uitgesloten.

Regel M8 (KPI-koppeling)

Een KPI is uitsluitend gekoppeld aan een proces (aggregatieniveau) of een processtap (operationeel niveau). Directe koppelingen met hulpmiddelen of rollen zijn uitgesloten.

Regel M9 (Actieve schrijfwijze)

De naam van een processtap volgt de structuur: [Actief Werkwoord in infinitief] + [Zelfstandig Naamwoord] (bijv. “Controleren Factuur”). Bij een stap met een gateway-functie weerspiegelt de naam de beslissingsactiviteit (bijv. “Beoordelen Storingsprioriteit”).

Regel M10 (Passieve informatie)

Een informatieobject of fysiek object beschrijft puur de status of het materiaal (bijv. “Geverifieerd P1-ticket” of “Houten pallet”) en bevat geen actiewerkwoord.

Regel M11 (Strikte de-duplicatie)

Synoniemen zijn niet toegestaan; we hanteren binnen de SSoT één genormaliseerde term. In Fase 3 dwingt de documentalist één genormaliseerde, eenduidige term af.

Regel M12 (Eigenaarschap)

Een proces of werkdomein heeft altijd een geldige, bestaande Rol als eigenaar om overgedragen te kunnen worden naar de productiestatus (Fase 5).

Regel M13 (Geen persoonsnamen)

Persoonsnamen in metadata of objectnamen zijn verboden. Dit leidt tot directe afkeuring (dus geen “Excel van Jan”, maar “Sjabloon Productieplanning”).

Regel M14 (Kaderbepaling)

Een regel legt uitsluitend via een inkomende verbinding (regel --> processtap) prescriptieve, dwingende randvoorwaarden op aan een processtap, zonder de processtroom fysiek te onderbreken of te splitsen.

Regel M15 (Naamgeving Werkdomein)

De naam van een Werkdomein is altijd een zelfstandig naamwoord of een thematische naamwoordgroep (bijv. “Incident Management” of “Financiën”), nooit een actiewerkwoord.

Regel M16 (KPI-Formulering)

De naam van een KPI weerspiegelt altijd een meetbare status of indicator (bijv. “Eerste Lijn Oplospercentage” of “Doorlooptijd Triage”), nooit een instructie of kader.

Regel M17 (De PDM-Waardetoets)

Elke processtap moet aantoonbaar waarde toevoegen voor de (interne of externe) afnemer op basis van de 3 V’s: Verandering (fysieke of transformationele wijziging van de input), Volgende schakel (directe, noodzakelijke voorbereiding voor de opvolgende stap), of Veiligheid (wettelijke compliance of risico-beheersing). Een stap die hier niet aan voldoet, krijgt in de metadata de status voldoet_aan_waardetoets: false en wordt dwingend voorzien van een reductie-advies op basis van de TIMWOODS-verpillingen ter sanering.

Volgende stap: Documentatie en generatie

Met het bevroren PDM Canvas ga je in Fase 4 de fysieke mappenstructuur vullen en via PDM-macro’s en Hugo de publicatie genereren.

Naar Stap 4: Documentatie & Generatie